Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van E ij bergen.

Dan ging' t mij lichter af óp Gelderland,

Eerst scheen 't ook wel, dat Munster daar met kracht

Ons wederstaan wou! 't Was een vrees'lijk vuur,

Waarmeê hij ons ontving, en dat aan velen

Van ons ook lijf of bloed gekost heeft. Doch,

Vreemd keken we op, toen we op de kruin des wals,

Den wakkren Van der Thijnen, die ons voorging,

Naklaut'rend, 't bastion als schoongeveegd

Van Moffen zagen, en daarop 't Kasteel

Bezetten konden, zonder slag of stoot. —

Gij weet, hoe Mooij, de kommandant, te pas kwam?

Joh. Sickinga.

Terloops vernam ik dat hij is gesneuveld;

Maar is dat waar?

Van E ij b e r g e n.

Dat is zóó, tot mijn spijt; 'k Had graag dien vogel levende gesnapt; Ons overwinningsmanifest verliest Er bij aan glans.

Joh. Sickinga.

Toch kan dat schitt'rend zijn. Gij hebt voor hem nu Plettenberg in plaats; — En hoe veel officieren nog in 't geheel?

W ij 1 e r.

Ontzettend jammer, dat we Berend zeiven Niet mee inraak'len mochten! Maar dat heerschap Houdt liefst zich buiten schot. Ik had dien woelgeest Zoo drommels gaarne eens van nabij bezien.

Sluiten