Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van Eij bergen.

Hij zit te Munster, naar gij weet, majoor.

Was hij in stad geweest, dood had hij zich

Geërgerd, toen daar, midden op de markt,

Die beide tamboers van mijn regiement

Den prinsenmarsch deên dreunen van hun kalfsvel,

Bestorven was hij 't wis van puren schrik! —

Ze stonden, met hun trommels op den rug,

Bij gindschen molen, dood'lijk zich vervelend,

Dat, sinds de toch uit Groningen begon,

Zij hun talent niet mochten laten luchten, —

Toen Van der Thijnen hun voorbijkwam. „Jongens",

Sprak hij: „kunt ge den prinsenmarsch wel slaan?" —

„O, ja", was 't antwoord. — „Wakker danl" zoo hij weer

„Ginds, midden in de stad vlak voor de hoofdwacht!

„Uw zakken vol rijksdaalders zal uw loon zijn". —

En beiden aan den haal, — het marktplein op,

En dan maar, zonder rechts of links te zien,

Aan 't tromm'len voor Sint-Velten weg, alsof

De stad reeds toen geheel in onze macht was

En Munstersch lood hen niet meer raken kon.

Joh. Sickinga.

Is reeds 't getal gesneuvelden bekend?

Van E ij bergen.

Meer dan een zestigtal zal 't niet bedragen.

Ook daarom zeg ik weer: God was met ons! Aanzienlijker is 't wis aan Munsters zij'.

Wij Ier.

Geen wonder waarlijk! 'k Zag mijn levensdagen Ook niet zulk vechten ooit. Moorddadig was 't. Het ging er gauw al met de blanke sabel Op los, — aan 't hakken en aan 't houwen, dat Het mij soms al te bar ging, schoon gij weet,

Dat 'k anders niet van jufferachtige' aard ben. Zoo weerden mijn Polakken zich ook dapper,

Sluiten