Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoewel 't eerst leek, of hun de moed ontbrak.

Toen 'k evenwel hen op zijn Poolsch eens toesprak En op den buit wees, waar 't om ging, toen was 't,

Alsof de duivel in die kerels voer.

Hun bijl gaf geen pardon, 't mocht hoog of laag zijn, Wie dien nabij kwam.

Van E ij bergen.

Weet ook iemand uwer,

Hoe 't onzen Losecaet verging? of hij 't er Heelhuids heeft afgebracht? — 'k Heb hem bewonderd, Om zijn koelbloedigheid. Tot aan den hals In 't water staande, schoorde hij een brug Die averij bekwam, en liet hij zoo Zijn volk er overgaan, terwijl het schroot Hem knetterend om de ooren stoof.

Wij Ier.

Alsdan

Verdient die jonge vaandrig ook veel lof,

Dien 'k bij mijn troep had; Herman is zijn naam, — En — Onversaagd mag wel zijn toenaam zijn.

Schoon hem een schot de rechterhand verlamde,

Ging hij bedaard in 't walbeklimmen voort,

En was hij de eerste boven op de borstweer,

Waar hij zijn vaandel in den grond stak, — om Eerst toen te denken aan de ontvangen wonde.

Ei, zie, daar komt hij zelf, en onze koster Geleidt hem.

Sluiten