Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vroegtijdig reeds ontwaakte in de ziel van Theobald de gedachte aan zijne toekomstige roeping, maar hij sprak die niet uit, voordat zich eene gelegenheid van buiten daartoe aanbood. Eens, toen het gansche gezin aan tafel zat, zeide de moeder: ,,negen zonen heb ik, allen gezond en sterk, maar geen, die eraan denkt, priester te worden". Toen kon Theobald zijn geheim niet meer voor zich houden en riep: „gij vergist U, moeder, één heeft God tot priester geroepen en die ben ik".

Theobald was! toen twaalf jaar oud en begon zijne studiën in de naburige stad Kilkenny. Op de hoogere studiën legde hij zich toe in het beroemde Seminarie van Maynooth. Hij had in (Kilkenny,'de Capucijfien leeren kennen en voelde zich tot hunne orde getrokken; hij maakte het Noviciaat in Dublin en werd na aflegging der kloosterbeloften en de voltooing zijner studiën op Paaschzaterdag van het jaar 1814 tot priester gewijd. Zijne overgelukkige moeder gaf hem bij zijne eerste heilige Mis een zeer schoonen kelk ten geschenke.

Hij werd het eerst naar Kilkenny verplaatst, waar hij door zijne talenten, zijn onvermoeibaren ijver, zijn innemend optreden jegens groot en klein spoedig eene groote populariteit verwierf. Ten gevolge van een misverstand met den Bisschop, waaraan hij onschuldig was en dat spoedig werd weggenomen, werd hij naar Cork verplaatst, waar zijne werkzaamheid weldra eene groote uitbreiding krijgen zou.

P. Theobald was. een uitstekend volksprediker, die spoedig algemeen de opmerkzaamheid' tot zich trok, en een onvermoeibare arbeider in de zielzorg. Daarom verheugde hij zich al ras in een groot vertrouwen en een grooten toeloop, zijn biechtstoel werd door de geloovigen letterlijk belegerd, bij gelegenheid van zekere feesten bracht hij gansche nachten in den biechtstoel door, zoodat men zich verwonderd afvroeg, hoe hij die inspanning kon uithouden. Maar deze arbeid was voor zijn ijver nog i lang niet genoeg. In Cork, de derde stad van Ierland, fleerde hij de menschelijke ellende van alle zijden kennen. Ofschoon hij zelf niets bezat, wist hij zich rijke giften van* weldoeners te verschaffen, die hij onder de nooddruftigen verdeelde. Zijn koster was gewoon van zijne milddadigheid te zeggen: „wanneer de straten van Cork met goud geplaveid

Sluiten