Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kleine bloedsomloop

in twee hoofdvaten, in de onderste holle ader, die het aderlijke bloed uit de beenen en de romp in zich opneemt, en in de bovenste holle ader, in wier stroombed het aderlijke bloed van hoofd en armen vloeit. Beide aderen monden uit in en geven hun bloed af aan den rechter boezem, en hier neemt ook de groote bloedsomloop of lichaamsomloop een einde (zie fig. 10).

De groote bloedsomloop strekt zich dus uit van linker boezem en kamer door de aorta met haar vertakkingen, door de haarvaten en de aderen tot aan den rechter boezem, en zijn levenstaak bestaat hierin, de voeding der weefsels te verzorgen en daardoor hun geschiktheid tot arbeiden te onderhouden.

De kleine bloedsomloop of longomloop begint in den rechter boezem (zie fig. 10). De rechter hartkamer neemt, zooals ons reeds bekend is, van dezen boezem al het aderlijke bloed in zich op en stuwt het bij haar samentrekking in de longslagader. De longslagader verdeelt zich nu in de twee longen in aldoor fijnere bloedvaten, die eindelijk ook overgaan in een dicht net van haarvaten, die zich verspreiden over de kleine longblaasjes. De haarvaten der longen gaan, evenals die van andere ingewanden, in aderen over, en de laatste worden weer grooter en geringer in aantal, tot zij uit iedere long als twee hoofdvaten uittreden en in den linker boezem uitmonden. De longomloop heeft een andere taak te verrichten dan de groote lichaamsomloop. De laatste had, zooals wij weten, de voeding van het lichaam te verzorgen, de longomloop heeft het bloed van gasvormige afvalproducten te ontdoen en het hierdoor weer voor de voeding en voor den grooten bloedsomloop geschikt te maken.

Sluiten