Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Groote en kleine bloedsomloop

lever, alvleeschklier, darmen en nieren. In het onderste gedeelte der buikholte ontspringen van de aorta nog de groote slagaderen voor het linker en rechter been (zie fig. 15)-

Het aderlijke bloed van het lichaam verzamelt zich in twee hoofdstammen, die men holle aderen noemt. Een er van noemt men de onderste holle ader; zij doorloopt aan den rechterkant der buikaorta de buikholte, dringt dan door het middenrif in de borstholte en bereikt hier, na een korten weg te hebben afgelegd, den rechter boezem (zie fig. 16). De andere holle ader noemt men de bovenste holle ader. Zij ontvangt aderlijk bloed uit den schedel en de armen en voert dit eveneens naar den rechter boezem.

Wat er met dit aderlijk bloed in het hart gebeurt, weten wij reeds. Wij weten dat het arm aan zuurstof en rijk aan koolzuur is en in dezen toestand niet verder door het lichaam gebruikt kan worden. Het moet den kleinen of longbloedsomloop volbrengen, om in de haarvaten der longen uit de ingeademde lucht zuurstof op te nemen en er koolzuur aan af te geven. Met dit doel vloeit het aderlijk bloed uit den rechter boezem in de rechter kamer, wordt door deze laatste in de longslagader gestuwd, komt dan in de haarvaten der longen, verzamelt zich dan, in zekeren zin gezuiverd en weer in staat bij de voeding behulpzaam te zijn, in de longaderen, die ten slotte alsvier groote takken in den linker boezem uitmonden. Nu kan het bloed een nieuwen omloop door linker kamer, aorta en aortatakken beginnen. Dit spel herhaalt zich bij een gezond mensch gedurende een minuut, overeenkomstig het aantal samentrekkingen van het hart, 60—80 keeren.

Sluiten