is toegevoegd aan uw favorieten.

Mijn reis door het aartsbisdom en de stichting van Nieuw-Dordrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neerlegde, als waren het drie koperen centen. God zag neer op zijne rijke aalmoes; ik ben misschien onbescheiden geweest om niet eer te rusten, dan voor ik dien hartelijken, toch eenvoudigen weldoener kende. Zijn naam is voor de vergetelheid in mijn archief bewaard. Toen de heeren uit de pastorie mij uitgeleide deden, mochten wij Liet vermoeden, dat een, en wel de gastheer zoo spoedig uit ons midden zou worden weggerukt.

Na Rossum had ik ruim drie weken gedwongen rust. Het was misschien wel goed voor mijn lichaamskrachten, doch mijn geduld had daarentegen des te meer te lijden. Ik verlangde , was het zonder reden, naar het einde van mijne bedelreize. Zeer verheugde het mij dan ook, dat ik den 15 November 1903 in Lonneker mijn onderbroken werk wederom kon opvatten.

Wel wist ik dat de ZeerEerw. Herder eenige jaren in Compascuum pastoor was geweest, doch persoonlijk had ik nimmer tevoren met ZijnEerw. kennis gemaakt. Doch welk een hartelijkheid, toen ik in Lonneker's pastorie mij zeiven voorstelde. Pastoor G. Groothuis, thans te Enschedé, behoefde ik van de veenen niets te verhalen. ZijnEerw. kende alles, doch na mijne predikatie, die /" 160 opleverde, zeide ZijnEerw. „U heeft veel van de veenen gezegd maar gij zijt verre beneden de werkelijkheid gebleven. Dit antwoord mogen zij ter harte nemen, die de veenen leerden kennen, alleen gezeten in de tram of in de zomermaanden.

Het dekenaat Deventer, hetwelk ik het beste van alle dekenaten kende, is het minst door mij bewerkt. Hoe dit komt ? Ik kan er mij tot heden nog geen ware oplossing van geven. Twaalf jaren was ik in dit dekenaat werkzaam op een en dezelfde plaats, te weten Luttenberg bij Raalte en toch alleen te Raalte heb ik voor mijn