is toegevoegd aan uw favorieten.

Berichten uit Nederlandsch-Oost-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem als ridder op te nemen in de Orde van den Ned, Leeuw, den 7 en April 1865 stierf hij te Nijmegen.

Bij het vertrek van den HoogEerw. Heer Scholten werd de toenmalige pastoor van Batavia, de Eerw. Heer H. J. Cartenstadt tot waarnemend prefect van de missie benoemd. Deze geestelijke had tot April 1831 zijne studiën gedaan aan het Collegium p kilos op hicum ; vervolgens studeerde hij te Rome tot 1837. Na in datzelfde jaar tot surnumerair geheim-kamerheer te zijn benoemd, ging hij als R. K. geestelijke van de derde klasse naar Oost-Indië, keerde in 1847 naar Europa terug en stierf in 1881 op vijf en zeventigjarigen leeftijd te Rome.

Het tijdperk, dat wij tot dusverre beschreven, kan gevoegelijk de eerste periode van de missie in Ned.-Indië genoemd worden. Nog geen bisschop stond aan het hoofd ; het bestuur over de christenheid werd meestal door den pastoor van Batavia uitgeoefend met den titel van Praefectus Apostohcus. Hachelijk moet voorzeker dit tijdperk geweest zijn , een luttel klein aantal priesters voor zulk een arbeidsveld ! en, laat ons er bijvoegen, de stand van zaken liet veel te wenschen over. Daartoe droeg niet weinig bij de eigenaardige verhouding, waarin de missie zich bevond tegenover het Ned.-Indische Bestuur.

Volgens het Koninklijk Besluit toch van den 1 lden December 1835 werden de standplaatsen der geestelijken niet door den Apostolisch Prefect maar door de Regeering aangewezen. Daardoor werd noodzakelijk het kerkelijk gezag ondermijnd, dat aan de ware mannen niet de ware plaatsen vermocht aan te wijzen. De geestelijkheid werd zoodoende aan menigvuldige gevaren blootgesteld, waarvan zij bij gunstiger regeling der zaken waren bevrijd gebleven.

De heillooze gevolgen bleven dan ook niet uit. Van uitbreiding des Geloofs onder de heidenen was in het geheel geen sprake, en „het godsdienstig leven der Katholieken

zooals prefect Scholten zich in een schrijven uitdrukt —