is toegevoegd aan uw favorieten.

Brief naar aanleiding van D. S. Gorter's geschrift: De theologie van Pr. J.H. Scholten enz.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gerectificeerd worden, dat hij gelooft, wat God, volgens zijne opvatting, gesproken heeft, en de grond van zijn gelool wordt niet Gods woord, maar zijne interpretatie van Gods woord, d. i. eigen en dus feilbaar inzigt. Is men over deze zwarigheid heen, dan volgt de vraag naar het werkelijk heslaan van zulke openharingen. Kunnen die godsmannen niet voor openharing gehouden hehhen, wat misschien de vrucht was hunner eigene inbeelding? Om daarvan zeker te zijn, hiertoe dienen de wonderen, die zij verrigten. Maar »het wonderbare," schrijft gorter zelf, hl. 52. »moge het gemoed vervullen met bijgeloovige vrees, doch het heiligt het hart niet; hel vreemde moge ons aantrekken, maar voert ons niet tot God en christus." Afgezien echter van deze bedenking, waardoor gorter zelf zijn gelieele wonderbewijs van kracht berooft, rijst de vraag: hoe weel ik, dat een feit, 't welk ik niet begrijp, een wonder, d. i: ingrijping van God in de natuurorde, is? En zoo ik al het criterium hiervoor mogl bezitten zonder een reeds vooraf verkregen begrip van God, en dit kan ik, volgens gorter, niet hebben dan door bovennatuurlijke openbaring, hoe weet ik dan, dal. het berigl van het wonder historisch waar is? Nu begint de taak der historische kritiek en het onderzoek naar de echtheid der bijbelboeken. De kerkvaders moeten gelezen, gekritiseerd, hunne getuigenissen beoordeeld , de echtheid hunner schriften. evenzeer als die des 0. en N. Ts, geconstateerd worden, en zoo zal dan eindelijk de waarheid der goddelijke openbaring en hiermede het goddelijk gezag des bijbels, van jezus en de Apostelen, vastslaan!