is toegevoegd aan uw favorieten.

Drieërlei grootheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze krankzinnig verklaarde was Voltaire levenslang een aanstoot. Nog jong zijnde zond hij reeds vurige pylen op hem af; de vijf-en-twintigste zijner „Lettres philosophiques", verschenen 1734 bevat „ltemarques sur les Pensées de Pascal" later meermalen en vermeerderd uitgegeven; en in deze heeft hij het alreeds ook op onze Gedachte gemunt. Over haar aanhef zegt hij: „Men mag 't er voor houden, dat Pascal in zijn werk dezen nonsens niet zou gebruikt hebben, had hij den tijd gehad om het te herzien" (18). Onze schoone Gedachte in Voltaire's schatting nonsens! Hoe was het mogelijk? Maar Voltaire was, gelijk wij allen van onzen, een kind van zijnen tijd, een tijd, die reageerde tegen den strakken geest der zeventiende eeuw in Frankrijk. Die geest nu had niet zyne minst duidelijke openbaring gevonden in het Jansenisme, dat, behoudens het voortreffelijke, waardoor het uitmuntte, zyue zwakke en minder aangename zyde had, en van lieverlede verschrompeld, aan den aanvang der achttiende veel van de aantrekkelijkheid had verloren, door welke het in de zeventiende eeuw velen bekoorde. Voltaire zelf was de zoon van zulk een Jansenist uit de nadagen, en Voltaire was de broeder van een Jansenist, dien naam geheel onwaardig, en wien niemand onzer de hand boven 't hoofd zou willen houden. Alzoo had zich in zijn hart een licht verklaarbare haat gevestigd tegen alles wat van dien kant kwam, en deze haat kende paal noch perk tegen den man, van wien hij gevoelde, dat deze alleen van alle Jansenisten door zijne8 Pensees" nog invloed oefende, tegen Pascal, den reus, zooveel grooter nog dan hij, en wiens fouten (want Pascal had ze ook!) rechtstreeks indruischten tegen hetgeen, hoe bezoedeld ook, van nature edels in hem was. Daarom ergert Pascal Voltaire zonder ophouden; daarom houdt Voltaire Pascal altijd in 't oog en gunt hem geene rust