is toegevoegd aan uw favorieten.

Drieërlei grootheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

looze scepticisme heeft geworpen, toen hy iets nog oneindig meer waard dan het denken had gevonden, begrijpen hem niet. Hoe treffend schoon commentarieert hij de woorden: „deze kent dat alles en de lichamen kennen niets" in de volgende prachtige fragmenten, die wat dit beteekent te verstaan geven! „'sMenschen grootheid ligt in zyne gedachte (VII, 22). Een denkend riet. Niet van de ruimte rondom mij moet ik mijne waardigheid verwachten, maar van het regelen mijner gedachte. Ik zal niet meer hebben, al bezit ik gansche werelden. Door de ruimte omsluit en verslindt mij het heelal als een punt, door de gedachte omsluit ik het (23). De mensch is niets dan een riet, het zwakste voorwerp der natuur, maar hy is een denkend riet. Het gansche heelal behoeft zich niet te wapenen om hem te verpletteren: een damp, een waterdroppel is genoeg om hem te dooden. Maar als het heelal hem verpletterde, zou de mensch toch edeler zyn dan hetgeen hem doodt, want hy weet dat hij sterft en wat het heelal op hem voor heeft. Het heelal weet er niets van (24). Gansch onze waardigheid berust dus in de gedachte. Van haar moeten wij dus uitgaan, om ons te verheffen, niet van ruimte en tijd, die wij toch niet kunnen vullen. Laat ons dus ons inspannen om goed te denken; dat is het beginsel der zedenkunde" (25).

Het beginsel der zedenkunde! Hoe hoog Pascal het denken ook stelle, er is voor hem nog eene hoogere orde dan die, waarin dat denken den boventoon voert en tot welke dat denken opvoeren moet. Krachtig spreekt hy dit uit in het slot van zyn vonnis; daar heet het: Bal de lichamen samen en al de geesten samen (letten wy toch op dat herhaalde „samen" om gedurig onzen geest te dwingen beurtelings tot de wydste uitbreiding en de innigste samenvatting) en al hunne voortbrengselen (al

Stemmen i>. W. en t'r. 1895. 5