is toegevoegd aan uw favorieten.

Van Calvijn tot Rousseau

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

versmaadde barmhartigheid die tot steeds reddeloozer verharding leidt. Gelijk dezelfde zon die (Matth. 13) het zaad op den goeden grond doet vrucht dragen, op den steenachtigen grond den halm verzengt. Het is dus min juist, de „verkiezing" aan de barmhartigheid, de „verwerping" aan de rechtvaardigheid Gods, als stonden deze hier tegen elkander over, toe te wijzen. Ook, ja vooral aan en in hen die behouden worden, verheerlijkt zich de rechtvaardigheid Gods. Haar tuchtigende strengheid dient hun tot heil, om vooruit gereinigd te worden en aldus niet met de wereld ten slotte in het oordeel te gronde te gaan. De vrijmacht Gods is geenszins alleen of bij voorkeur daarin te zoeken, dat zij van 's menschen wil onafhanklijk is, dat „het niet is desgenen die wil noch desgenen die loopt maar des ontfermenden Gods"; maar voo-al ook daarin, dat alle tegenstand dien vriend of vijand tegen Gods voornemen opwerpt, Hem niet verhindert zijn einddoel te bereiken. God laat zich wel b.v. te Kades Barnea door het ongeloovig Israël tot een o m w e g van acht en dertig jaren leiden: maar Hij bereikt dan toch zijn doel, alleenlijk het geslacht dat er niet tot middel toe wil dienen, vergaat in de woestijn en wordt verworpen. Want zoo stellig eert God de menschelijke vrijheid om zich te bepalen, dat Hij zelfs een voorspelling, uitdruklijk aan Nineve door Jona gedaan, op het berouw der Ninevieten niet uitvoert, en daarentegen aan Eli laat aanzeggen: „Ik had wel klaarlijk gezegd: uw huis en uws vaders huis zouden voor mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid: maar nu spreekt de Heere: dat zij verre van mij, want die Mij eeren zal Ik eeren, maar die Mij versmaden zullen licht geacht worden." Zoo zijn dus Gods oordeelen over den zondaar om zijne zonde