is toegevoegd aan uw favorieten.

Van Calvijn tot Rousseau

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

p. 157 zegt, dat wij uit ons zeiven evenmin weten wat (Joel is, als een tor (scarabeus) weet wat een menseh is. Verwant daarmee is het denique waarmee de gereformeerde orthodoxie (Can. Dordr. 5, IO) 11 a het geloof aan de beloften en de getuigenis des II. Geestes. het laatst van alles melding maakt van onze zekerheid uit een rein geweten en heiligheid, terwijl toeh Paulus van onze behoefte aan gerechtigheid uitgaat. En wat onzen Calvijn betreft, het is duidelijk dat hij naar zijn denkbeeld van de goddelijke verkiezing twee soorten van mensehen stellen moet, die van den beginne af een verschillende bestemming hebben, en waarvan de tweede niet, gelijk de eerste, tot vrije persoonlijkheid maar slechts tot lijdelijk orgaan van den goddelijken wil des toorns gesteld is.

124) Men kan dit reeds zien b.v. aan de Formula Consensus zelve, den triomf der orthodoxie, van welke Astié (les deux théologies nouvelles, enz. p. 181 met juistheid aanwijst hoe zij den weg voor het rationalisme gebaand heeft.

(25) Uitverkiezing is tot een bepaalden dienst in het Koninkrijk Gods. Oit wordt, behalve in de in onze 27e Aanteekening aangehaalde verhandeling van Dr. Is. van Dijk, ook uitvoerig aangewezen in II. Laichinger, das System der christl. Glaubens- und Sittenlehre (Gotha 18761 p. 399 enz. Maar „tot een bepaald doel in het koningrijk Gods" dat is tevens „tot zaligheid." Dit is zoo voor het Hoofd en voor de leden. Jezus is de Christus. 1). i. hij heeft, door zich met de mensehheid te vereenigen, zijn persoonlijk zijn en bewustzijn tot het hare uitgebreid. Zijn vereenijjing met ons door de vleeschwording is zoo volkomen ernstig gemeend en waarachtig, dat indien de mensehheid en de wereld (d. w. z. zij, die zich tot het ware levensbestanddeel der wereld laten vormen, want de anderen vallen als dorre bladen af, worden als kaf verbrand) — dat indien de mensehheid en de wereld verloren kon gaan, de Zoon Gods meè zou verloren gaan liet overgeven van den Zoon was geen proefneming of de Zoon ook, misschien wèl, misschien niet, geloovigen vinden zou. Dan zou de verlossing afhangen van de willekeur der mensrhen. En de heerlijkheid van de leer der verkiezing bestaat juist hierin dat alle willekeur, zoowel in God als in den mensch, door haar veroordeeld wordt. In den mensch, want als de waarachtige mensch den Christus Gods ziet in zijn volle waarachtigheid die zich aan het Kruis ontsluiert, (daarom is het Kruis het middelpunt van alle geloofswaarheid» dan gelooft hij niet willekeurig, als op proef of naar goedvinden, neen, naar den diepsten drang zijner natuur, door den Heiligen Geest gewekt. En ook God, den zondaar rechtvaardigende, doet niets willekeurigs, bedekt zijn schuld niet slechts uitwendig (gelijk een verkeerd begrip van toerekening"