Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke plichten van de wet der natuur, hoewel zij in de staat der rechtheid geen rechtstreekse en eigenlijke voorwerpen hadden, en er geen aanleiding was om ze in beoefening te brengen.

Het is waar, er zijn vele plichten, waarvan wij nooit zouden hebben gehoord, als het Evangelie niet was geopenbaard. Toch zijn ze daarom nog niet in een bijzondere zin geboden of voorschriften van het Evangelie, maar van de wet, welke zeer uitgebreid is, en zich uitstrekt tot voorwerpen, gelegenheden en omstandigheden, zodra deze zich als nieuw opdoen.

De wet zegt het één tot de ongehuwde, en weer iets anders tot dezelfde persoon als hij gehuwd is. Het ene zegt ze tot hem als kind, en weer iets anders tot hem als vader enz. en toch is het dezelfde wet. Gods wet, welke volmaakt is, en overeenkomt met haar Autheur, moet zich uitstrekken tot alle omstandigheden, waarin het schepsel komen kan. Maar indien voor iedere nieuwe plicht, of voor ieder nieuw voorwerp des geloofs, een nieuwe wet vereist zou zijn — hoezeer zouden dan de wetten moeten worden vermenigvuldigd! De wet zelf moge (evenals dit het geval is met een mens) met vele veranderingen in aanraking komen — zij blijft nochtans dezelfde in haar wezen. Zo ook is het met geloof en berouw. Hoewel het kunnen oefenen en het ontvangen daarvan, door middel van het Evangelie is, toch is het duidelijk, dat ze voorgeschreven worden door dezelfde wet, welker overtreding geloof en berouw noodzakelijk maakte.

Het is duidelijk, dat, als de plichten verwaarloosd worden, of, als men ziet hoe men de wet vroeger heeft geschonden, dat dan het wezen van het berouw bestaat in herstel en vernieuwing, wanneer men daar geestelijk toe bekwaam gemaakt wordt.

Want. gelijk de goddelijke deugden de regel en het voorbeeld van Gods beeld in de mens zijn, zowel in zijn herschepping als in zijn schepping, evenzo is de heilige wet Gods de regel, zowel van ons berouw als van onze oorspronkelijke gehoorzaamheid.

Sluiten