Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een volle overreding is. Hierin is het geloof onderscheiden van een blote toestemming. Hetgeen juist in het bijzonder het geloof uitmaakt, is, dat het een toeëigenende zekerheid is, met toepassing op onze eigen persoon, dat Christus de onze is. De grond hiervan is de aanbieding van Christus aan ons. zoals Hij ons in het Evangelie wordt voorgesteld tot

onze behoudenis. , , .

De Marrow-mannen stellen de zekerheid des geloofs ten 2e ook hierin, dat een mens verzekerd en overtuigd is, dat hg het leven en de zaligheid door Christus zal hebben. Door deze overreding des harten neemt men Hem aan tot zaligheid.

Het derde stuk der zekerheid des geloofs bestaat m de overreding, dat. wat Christus deed ter verlossing, Hi| dat voor mij persoonlijk deed. Die het eerste en tweede gelooft, mag ook het derde geloven.

De Marrow-mannen laten dan in dit stuk uitvoerig de Reformatoren, verschillende Godgeleerden, de V. estminsterse Catechismus, de Dordtse Synode en de belijdenissen van andere kerken spreken, en laten zien, dat deze nog sterker uitdrukkingen bezigen. Verder betogen zij, dat deze spreekwijzen overeenkomen met het gebruik daarvan in de H. Schrift.

Door dit geloof nu, als een instrument, wordt een zondaar voor God gerechtvaardigd, en dat zou niet kunnen zijn (zeggen ze i als in dit geloof niet een zekere mate van vertrouwen aanwezig was.

Zo wijzen zij dan af het anti-nomiaans gevoelen, dat de vergeving der zonden even goed ons deel is vóór, als na de

daad des geloofs. . m .

Verder merken zij op, dat op twee dingen moet morden gelet: le. Dat de zondaar dikwijls niet zulk een klare verzekering voor zijn eigen persoon heeft, vooral bij zijn eerste komen, en 2e. Dat, naar mate het geloof sterk of zwak is. ook de verzekering sterk of zwak is.

De Marrow-mannen zeggen ook, dat de middellijke verzekering door overdenking en gewaarwording en uit de kenmerken, niet door hen tot het wezen des geloofs gerekend wordt. Zij maken onderscheid tussen de verzekering des geloofs en de verzekering door het gevoel of de gewaarwording De eerste heeft haar grondslag buiten de mens, de tweede in de mens.

Antwoord: Het is duidelijk dat deze vraag uitermate de betekenis en het doel beperkt van onze verantwoording, waar deze over dit stuk handelt (par. 7). Want wij handhaven daarin niets positiefs met betrekking tot het geloof, maar maken bedenkingen tegen, en veroordelen dezulken, die, naar ons voorkomt, aan-

Sluiten