Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noodzakelijk uit volgen, dat de wet nog haar vorm van een verbond met betrekking tot de gelovigen behoudt, en dat zij in dit opzicht nog onder de wet zijn, in tegenspraak met de Schrift, Rom. 6 : 14 en 7 : 1—3 en in strijd met de geloofsbelijdenis, Hoofdstuk 19 par. 6. Dan zou daar ook uit volgen, dat de zonden der gelovigen nog moéten worden beschouwd als een inbreuk op het verbond der werken, en dat de zonden hen niet alleen waardig maken de wraak en de vloek Gods (hetwelk een allerzekerste waarheid is) maar ook zou dit hen voor eeuwig blootstellen aan Gods wraak en de helse pijnen. En dit laatste is slechts waar van hen, die in hun bedorven natuurstaat zijn (zie de kleine Catechismus, vraag 19) en ook is het in strijd met de geloofsbelijdenis, Hoofdstuk 19, par. 1. Eveneens zou uit deze stelling volgen, dat de gelovigen God nog aan moesten merken als een wrekend en toornig Rechter, ofschoon zijn recht ten volle is bevredigd in de dood en het bloed van de gezegende Borg, door het geloof aangenomen.

Deze en andere dierbare Evangeliewaarheden worden, naar onze mening, vernietigd, zoo de door ons gemaakte onderscheiding als ongegrond wordt veroordeeld.

VRAAG 12.

Moeten de hoop op de kemel en de vrees voor de hel worden uilgesloten als beweegredenen tot gehoorzaamheid voor de gelovige? En indien dat niet zo is, hoe kan dan het ,,Merg , dat deze beweegredenen uitdrukkelijk uitsluit, worden verdedigd, hoewel het andere beweegredenen tot gehoorzaamheid wèl erkent '■

Toelichting van Jen vertaler.

De Syn. Commissie zegt, dat het „Merg" ontkent, dat de hoop op de hemel en de vrees voor de hel voor de gelovigen beweegredenen zouden zijn tot gehoorzaamheid aan Gods wet, terwijl andere beweegredenen om in gehoorzaamheid aan Gods wet te wandelen, wel door het „Merg" worden erkend.

Sluiten