Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het dier onderscheidt. Het dier legt zich bij de gegeven levenswerkelijkheid wèl neer. Het dier doorboort zijn neusbeen niet! En ons past eerbied voor den mensch, die meent (zij het op een ons wonderlijk schijnende wijze!), dat het leven een „ander" karakter moet dragen, dan het doet, dat het, zooals het is, niet goed is. De „wilde" vijlt zijn tanden, hij besnijdt zijn mannelijke kinderen, hij beschikt willekeurig over zijn lichaam. Hij beschikt zelfs willekeurig over de „natuur" buiten hem. Hij legt er zich niet bij neer, dat de droogte zijn oogst verwoest, maar probeert „regen te maken". Belachelijk, maar grootsch! Hij ziet, hoe het leven misloopt, en tracht het weer in orde te krijgen door „zonden te verzoenen". Hij staat in al zijn kleinheid en zwakheid in het leven en meent het beter te weten, dan het leven. Hij is groot in zijn kleinheid.

Hij is een mensch.

Hij verbeeldt zich ook, dat hij het leven moet vernieuwen. Want het leven slijt. De eerste kracht is er al gauw uit. Verslapping volgt, ouderdom, weelde, traagheid, moeheid. Nu moet het leven opnieuw worden begonnen. Riten en inwijdingen doen den mensch „wedergeboren" worden. Wij vieren onzen verjaardag, onzen twaalfden, en wij zijn blij; onzen dertigsten, en wij zijn onverschillig; onzen zestigsten, en wij zijn weemoedig. De primitief viert zijn verjaardag en vernieuwt zijn leven. Hij massregelt het leven. Hij doet er mee, zooals hij meent, dat het wezen

Sluiten