Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat epos, waarin een verteller aan het woord is, die zijn wederga nauwelijks vindt, trekt een stoet van gestalten aan ons oog voorbij, die wij begrijpen kunnen, al z,ijn het wezens uit een grijs verleden. Goden en menschen en dieren — wij leeren ze kennen en liefhebben.

Daar zijn Odysseus, de menschelijkste aller helden, en Kalypso, de godin op het eenzame eiland Ogygia, die den schipbreukeling heeft lief gekregen. Zjj heeft, bij monde van Hennes, order gekregen om Odysseus te laten terugkeeren naar zijn vaderland. Ze moet wel gehoorzamen. Maar een timmermanswerkplaats en een helling, waar ee.i vaartuig zou kunnen worden vervaardigd, houdt ze er natuurlijk niet op na. Maar wel heeft ze een bijl en een boor (och! wie heeft die niet in een hoekje van zijn zolder liggen) en ze heeft kostelijke weefsels, daar kan een zeil van gemaakt worden (dat zullen wel stevige zeilen worden!) en verder staan er genoeg boomen in het bosch,

Maar vóór Odysseus aan den slag gaat (hij kan alles, dus ook wel een stevig vlot timmeren) vraagt ze hem, die naar zijn vrouw terug wil: „ik ben toch zeker niet minder dan die vrouw? Stervelingen zullen toch met de onsterflijken niet kunnen wedijveren in gestalte en voorkomen?"

Mijn lezers, ge gevoelt in welk moeilijk parket Odysseus zich geplaatst vindt door die — echt-vrouwelijke vraag. En hij werpt het op zijn onverklaarbare voorliefde voor zijn vrouw en zijn vaderland, terwijl hij de godin, die immers onsterflijk is en nooit

Sluiten