Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keerde hij op zijn schreden terug, voelde berouw en schaamde zich. ,-citliaroedo mutante modum", doordat de citherspeler van toonschaal wisselde. (J- Combarieu, Histoire de la Musique).

Het waren nu deze zelfde antieke schalen, die, zij het dan ten deele verkeerd begrepen, door de Christelijke kerk, zoowel de Byzantijnsche als de Latijnsche, voor haar lithurgi^che gezangen werd overgenomen. Middelaar daarbij is vooral geweest Anicius Man— lius Torquatus Severinus B o ë t i u s, de raadsman, later het slachtoffer van den West-Gothischen koning Theoderik den Grooten, met zijn „Vijf boeken over de muziek". Eeuwen lang, van de vroegste tijden der kerk hebben deze gezangen geklonken, schijnen allengs hun rhythme verloren te hebben en overgegaan te zijn in den cantus pianus, het indrukwekkende Gregoriaansche gezang, zooals de Katholieke kerk dat nog immer kent. Onder den invloed van en gedeeltelijk rechtstreeks uit dit lithurgische gezang is de Westersche wereldlijke muziek, uit het geestelijke het profane lied, het volkslied voortgekomen. En de vele antieke toonschalen, herleefd, of liever doorlevend in de Gregoriaansche kerktoonschalen of, zooals zij gewoonlijk worden genoemd, kerktonen, losten zich daarbij omstreeks 1600 allengs op in de beide hedendaagsche toon— geslachten dur en moll, de groepen der groote- en der kleine-tertstoonschalen, tegelijkertijd met en ten gevolge van de sterker ontwikkeling van het gevoel voor tonaliteit, d-i. het gevoel voor de verhouding van de ver-

Sluiten