Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

herinnering is, anders gezegd, dat elke toon zijn waarde en beteekenis erlangt door de tonen, welke hem vooraf gaan. En ook constateerde hij, dat de fantasie bij het voortschrijden van een toon naar den naast volgenden toon de oversprongen ruimte aanvult en zoodoende ons bewustzijn de trapsgewijze verandering van toonhoogte als een continuë opvat.

Ons notenschrift tenslotte, is voortgekomen uit de vroeg—middeleeuwsche n e u m e n, en van deze op haar beurt staat het sinds eenigen tijd vrijwel vast, dat zij vervormingen en uitbreidingen zijn van de taalmuziek aanduidende accenten (afgeleid van ad en c a n t u s, d.w.z. teekens voor den zang, de stembuiging), welke een der Hellenistische grammatici, misschien Aristophanes van Byzantium, het eerst heeft toegepast.

Aan den anderen kant maakt nog in de 10de eeuw de monnik Hucbald (met wiens naam de eerste pogingen tot meerstemmigheid zijn verbonden), bij zijn uitleg van de in zijn tijd geldende muziektheorie, gebruik var. louter Grieksche termen en beschouwt nog immer de boven besproken tetraehorden als de grondslag der muziek. En in de meening, de antieken te doen herleven, componeerden omstreeks 1600 een Peri en een Caccini hun „Drammata in musica", waaruit onze opera werd geboren; Gllick inspireert zich op de Helleensche tragici bij zijn „Theaterreform" (Orfeus, Iphigenie); Wagner's „Gesamtkunst" wortelt welbewust eveneens in de Grieksche tragedie en

Sluiten