Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Grieksche denkers en ik wil mij er toe bepalen, enkele van de meest op den voorgrond tredende trekken ervan te schetsen en de beteekenis ervan voor onze kuituur aan te duiden.

Plato onderscheidt in een van zijn meest bekende werken ,,de Staat", den Griekschen aard van die der omwonende volken, doordat hij de Noordelijk wonende Thraciërs en Scythen dapperheidslievend, de Phoeniciërs en Egyptenaren geldbegeerig en de Hellenen leergierig noemt. Inderdaad if het treffend, dat alles wat bij de omwonende volken aan praktische kennis verworven was, zich bij de Grieken tot zuivere wetenschap ontwikkelde. De wiskunde, de meetkunde, de sterrenkunde, de mechanica, geven daarvan alle de duidelijkste voorbeelden. De geestesaanleg, die dit mogelijk maakte, voerde hen boven de eischen en nooden van het leven uit tot de vragen naar wereldbeginsel, wereldverklaring en waarheid.

De oudste produkten van hunne philosophie gaan over de vraag, wat wel de oerstof mocht zijn, waaruit de were'd is opgebouwd. De vraag houdt de denkers eea paar eeuwen bezig. Zij beschikten niet over de voldoende gegevens om haar goed en afdoende te beantwoorden, maar ze hadden allen bij intuïtie de overtuiging, dat er een eenheid en orde in de verwarrende veelheid der verschijnselen moest schuilen en hun wetensdrang liet niet af hen tot zceken voort te drijven. Deze overtuiging

Sluiten