Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een twaalftal steenen en plaatst die in 't midden der Jordaan, daar, waar de priesters stonden. Jos. 4.

Wij zouden u meer voorbeelden kunnen noemen, doch genoeg om u te overtuigen, dat het voor Israël geen ongewoon verschijnsel was, Samuël een steenen gedenkteeken te zien oprichten.

Tusschen Mispa en Sen, wordt die steen opgericht, in het gebied van Benjamin, de plaats, welke aan eene zware neêrlaag, voor twintig jaren geleden, herinnert.

Daar zijn 30.000 van Israëls zonen, onder wie twee priesters, Hofni en Pinèhas, zonen van Eli, gesneuveld; daar is de ark Gods in handen der vijanden gevallen.

Die plaats is thans getuige van eene overwinning. Ons tekstverband zegt ons, wat er geschied is, Israël zag zich opnieuw door den ondergang bedreigd.

Door vrees aangegrepen zeide het volk tot Samuël: „Zwijg niet van onzentwege, dat gij niet zoudt roepen tot den Heere, onzen God, opdat Hij ons verlosse uit de hand der Filistijnen."

Samuël bad en offerde, en de Heere verhoorde hem.

Toen de vijand aanrukte met eene groote overmacht, donderde de Heere met een grooten donder over de Filistijnen ; Hij verschrikte hen, zoodat zij verslagen werden voor het aangezicht van Israël.

De aanvoerder van Israël nu wil deze groote gebeurtenis niet onopgemerkt laten voorbijgaan. Door het oprichten van een' gedenksteen, doet hij zijn volk verstaan: „Ons zwaard heeft ons dit heil niet verworven, de rechterhand des Heeren, de Heere heeft ons geholpen !"

Had Samuël rijke stof tot het oprichten van een steen der hulpe, niet minder voegt het ons Geliefden, na 't 50jarig bestaan der gemeente, in onze gedachten een gedenksteen op te richten.

Sluiten