Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waar men straffeloos duldt, dat Gods Woord wordt ontzenuwd, Jezus, (althans door velen) wordt ontkroond, daar is het zeker plicht, gehoor te geven aan de roepstem : „Gaat uit van haar mijn volk!" al is het Babyion ook niet.

Dit laatstgenoemde gaf de Heere in het hart van den nu zaligen H. de Cock te Ulrum.

Nadat de Herv. Kerk, in het jaar 1816 in een koninklijk gewaad gestoken was, de gezangenbundel was ingevoerd, de deur opengezet voor leervrijheid, liet Ds. de Cock (toen de Heere hem voor den toestand der kerk de oogen opende) geen middel onbeproefd, om Koning Willem I en de Kerkbesturen tot terugkeer tot de waarheid, tot de paden der Vaderen te bewegen.

Alle pogingen bleven vruchteloos. Integendeel, ze wekten daarentegen hevige vijandschap. Afzetting van het ambt, berooving van goederen, mishandeling des lichaams, waren het gevolg. Hierdoor zag hij zich, met zijne getrouwen, geroepen oin 14 October 1834 de akte van Afscheiding te teekenen. Evenals te Ulrum en elders, deelden ook te Kampen eenige personen de overtuiging van de uitgetreden broeders en zusters. Het tijdperk van 1835—1851 herinnert ons alhier de aanvankelijke vestiging der gemeente, het weder uittreden uit het kerkverband der Christ. Afgescheidenen en de terugkeer tot de gemeenschap der kerk. Teneinde de gemeente alhier te vestigen, was H. de Cock van Ulrum binnen Kampen gekomen.

Wat hem hier wedervoer, blijkt uit het volgende :

Uit brieven, op den 4en en lOen Juni 1835 aan zijne echtgenoote uit Kampen geschreven, vernemen wij, dat ZEerw. bij E,. Nijhuis in de Buiten-Nieuwstraat gevangen genomen werd, eenige dagen op het Bureau van Politie en bij den Commissaris gevangen gehouden en bewaakt, doch daarna te half vier in den nacht naar Zwolle gevoerd

Sluiten