Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

„Het heil is des Heeren." — Het woord „heil" duidt aan: al wat een monsch, zoowel de machtigste koning op zijnen troon als de geringste onder het volk, noodig heeft tot zijn geestelijk en lichamelijk welzijn, al wat wij behoeven, zoo wij waarlijk gelukzalig zullen zijn niet ajleen hiernamaals, maar ook in dezen tijd, een iegelijk in zijnen stand, in zijne roeping, op de plaats, waar hij door God is gesteld. Intusschen - het woord, dat wij hier in den grondtekst lezen, beteekent allereerst redding uit benauwdheid, overzetting uit de engte in een wijde ruimte, waarin men zich vrij bewegen kan; — het herinnert ons dus, dat wij ons van nature bevinden niet in vrijheid en gelukzaligheid, maar in eenen toestand, waarin wij beklemd zijn als in eene gevangenis. Van het woord hier in 't Hebreeuwsch gebezigd is de naam Jozua of Jezus afgeleid, welke naam beteekent: Verlosser, Zaligmaker, gelijk gij weet, dat de Zoon Gods Jezus is genoemd, omdat Hij ons zalig maakt, ons verlost van onze zonden. Zoo zien wij dan, waarin het heil bestaat en wat de voorwaarde is van alle geluk — ook in den echtelijken staat. Het heil is de vergeving onzer zonden bij God, gelijk David in den 32sten Psalm zegt: „Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is; welgelukzalig is de mensch, dien de Heere de ongerechtigheid niet toerekent." Hebben wij vergeving van onze zonden, dan hebben wij vrede en vreugde bij God, dan wandelen wij onder de bedekking Zijner genade, onder het schijnsel van Zijn vriendelijk aangezicht, dan kennen wij Hem in Christus Jezus als onzen God en Vadei, Die ons met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgt en ook alle kwaad, dat Hij ons in dit jammerdal t-oeschikt, ons ten beste keert, daar Hij zulks doen kan als een almachtig God en ook doen wil als een getrouw Vader. Aan Zijne hand geleid gaan wij den rechten weg, door Zijnen Geest geregeerd wandelen wij in Zijne geboden

Sluiten