Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en dezelfde sociale positie hadden 1). De Korinthische Christen had een afkeer van alle gezag. Hij deed volstrekt niet denken aan een kudde volgzame schapen onder den vreedzamen staf van een herder; Paulus gebruikt dit gangbare beeld dan ook in zijne Brieven volstrekt niet; wèl dat van een lichaam, welks leden tot hetzelfde doel samenwerken, een omwerking van de bekende fabel van Menenius Agkippa 2). De gemeente vergaderde zoowel met het oog op het klimaat als met het oog op de werkzaamheden harer leden des avonds3). De hoorders zaten '<); de vrouwen gesluierd5), afgezonderd van de mannen. Tot de samenkomsten hadden ook anderen toegang, die niet gedoopt waren, maar zij zaten afzonderlijk en mochten het gesprokene met het „Amen" der Synagoge bevestigen6). De gemeente besliste zelve in quaesties van tucht; zij bepaalde den inhoud der brieven, welke in haar naam uitgevaardigd werden7), en nam hare besluiten met meerderheid van stemmen8). Ook de onderlinge stichting ging van haar zelve uit. Het jus docendi was het voorrecht van eiken geloovige. Elk lid, dat zich door den Geest voelde aangegrepen, mocht opstaan en spreken als Leeraar, Propheet of in een glos, d. i. in een toestand van religieuse ekstase, waarbij het godsdienstig gevoel zich ontboezemde in onsamenhangende reden, maar waarbij het verstand werkeloos bleef — hetgeen Paulus dan ook om die reden afkeurt9). Had iemand gesproken, dan mocht een ander het gesprokene beoordeelen of verklaren10). Voor de Joodsch-christelijke quaestiën

*■) Zooals mij op grond van de onderzoekingen van G. Heinrici (Zeitschrift J. 11. theologie 1870, 4, 1877, 1) het meest aannemelijk voorkomt. Het verklaart zoowel de snelle uitbreiding der gemeente als de gebreken, die haar ontsierden. Hoe zouden de agapen zich in de synagogale organisatie laten invoegen ? Vgl. de Komrnent. v. Meyer 8ste Aufl. S. 7 f.

2) I Kor. 12.

3) Hand. 20, 7.

4) I Kor. 14, 30.

5> 11 , 6.

6) 14, 16.

7) 7, 1. 2 Kor. 3, 1.

8) 2 Kor. 2, 6.

9) Vgl. I Kor. 14, 14 v.

10) 12, 10. 14, 29.

Sluiten