Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wettelijke vroomheid, waardoor Israëls godsdienst eenwig lang voor Heidensclien invloed bewaard bleef. De Sadduceën, met hunne aristokratische allures en vrijzinnige, maar eigenlijk conservatieve denkbeelden over de opstanding, de toekomstige vergelding en de autonomie van den mensck. Het volk, fanatiek en onrustig, zonder scheppend vernuft of actieve kracht, eiken zich aanmeldenden Messias vroolijk aanjuichend, onophoudelijk trachtende het gehate Romeinsche juk los te woelen, in zijn transcendente vroomheid hartstochtelijk verlangende naar de openbaring van het Messiasrijk en de komst van zijn Koning, in zichzelf troosteloos en gedrukt, zijn geestelijk leven voedende met grillige beelden en phantastische tafereelen uit Apokalypsen en Visioenen.

In dit milieu bewogen zich de eerste getuigen, niet geschokt of ontmoedigd door het pijnlijke besef van de tegenstelling tusschen zich en de wereld. De Heidenen hadden hunne goden, gepersonifieerde natuurmachten, aesthetisch geidealiseerde menschen met booze luimen en wilde hartstochten, donderend en bliksemend in oogenblikken van toorn, zoo diep tot het natuurlijke ingaande, dat zelfs de idee van zedelijke volkomenheid onzedelijk zijn zou; de Jood vereerde een God, die zich teruggetrokken had in de plaats Zijner rust, deistisch, verre van een iegelijk van ons; oud-Israël aanbad zijn Jehova Zebaoth, den oorlogsgod, die Israëls legerscharen ter overwinning leidde — maar zij kenden den Schepper van hemel en aarde als den Vader in Christus, als den heiligen Vader, die niet maar lief heeft, maar liefde is, als den Vader van de menschheid in het algemeen en van den individueelen menscli in het bijzonder, „in Avien wij leven, ons bewegen en zijn"1). Duister was de taal der Heidensche orakelen; de Pythische priesteres gaf hare antwoorden in dubbelzinnige spreuken en raadselachtige uitdrukkingen; Israël wierp in twijfelachtige gevallen het lot, maar zij kenden en verstonden Gods wil. Vrees was de stemming der Heidenen , vrees voor demonen en goden, van

1) Hand. 17, 28.

Sluiten