Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leenen, omdat voor de noodzakelijke voorwaarde tot erkenning van dat recht, namelijk de toetsing van zijn echtheid, geen gelegenheid is in onze Kerk.

Doch ook aan de „orthodoxen" die menigmaal, even ernstig en waardig, erkenning van hun recht vroegen, heeft de Synode, en om dezelfde reden, dat recht niet kunnen geven.

De „orthodoxen" vragen niet erkenning van hun recht nevens de „modernen". Neen, uitgaande van het feit dat de Kerk uitdrukkelijk beleden heeft dat Jezus, de Christus naar de H. Schriften, de Heer van allen is, eischen de „orthodoxen", en moeten eischen, dat Jezus, de Christus naar de H. Schriften, door de geheele Kerk als Heer erkend worde.

Daar nu het individualisme zeer algemeen bij „orthodoxen" en „modernen" heerscht, hebben de „orthodoxen", dit eischende, onmogelijk den blaam van uitsluitendheid en ongerijmde heerschzucht kunnen ontgaan. Doch ook afgezien daarvan is de Synode gebonden door onze reglementen die, in hun samenstel, dezen eisch der „orthodoxen" doen afwijzen, gelijk meermalen bleek.

Hoogst onbillijk is het, de Synode daarom van partijdigheid te beschuldigen. Als onkerkelijk uitvloeisel van het liberaal despotisme van 1816 heeft zij, ondanks de later bijgekomen wijzigingen, de roeping om bij elkander te houden zonder ingrijpenden vooruitgang, niet kunnen verloochenen.

Daarom was het ook ten onrechte dat vele „orthodoxen" lang hebben gemeend dat, zoo slechts de meerderheid der Synode uit hun geestverwanten bestond, de Synode hun het gevraagde recht zou geven. Dit kon de Synode niet doen. Hare roeping is, zooveel mogelijk allen tevreden te stellen en bij elkander te houden, omdat gewichtige

Sluiten