Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

v r ij, d. i. uit eigen levensdrang en naar eigen levensbeginsel (zooveel mogelijk!) kan hervormen (*).

Dat, hoewel onze oude Belijdenis weer tot gelding komt, toch niet op de belijdenis de nadruk valt, maar op Hem dien zij belijdt, en op zijn besturing en heerschappij in de kerk door de tucht (**).

(*) Schijnbaar, niet inderdaad, wordt in ons voorstel aan de „orthodoxe partij" een voorrecht boven de „moderne" gegeven. De „orthodoxen" zouden bevoorrecht zijn indien de Beliidenis van 1561, zooals zij daar ligt, als toetssteen der waarheid werd gesteld. Doch daartoe stellen wij niet de Belijdenis, maar Jezus Christus volgens de Belijdenis, d. i. Jezus als den Christus naar de H. Schriften. Hiertoe hebben wij een historisch recht. Niemand ontkent het feit dat de Kerk, ook als hervormde, met erkenning van Jezus als den Christus der H. Schriften begonnon is. In elke ordelijke rechtsspraak nu moet begonnen worden met het stellen van den oorspronkelijken toestand als maatstaf om daarnaar te beoordeelen of de latere wijzigingen al dan niet wettige uitvloeisels uit dien toestand zijn. Volgens ons voorstel staan de „orthodoxen", met niet het minste meer recht dan de „modernen" vóór Jezus die, door zijn organen, de Amptsdragers, de Belijdenis en de „orthodoxen" even zoowel als de „modernen" beoordeelt. Geen onmondigheid op het gebied der wetenschap kan een Amptsdrager de bevoegdheid ontnemen om de meeningen van „orthodoxen" en „modernen" te beoordeelen. Want hij beoordeelt niet die meeningen op zichzelve (dat doet de alleen van God afhankelijke theologie) maar haar geloofsgehalte, d.i. of zij met het geloof in Jezus als den Christus naar de H. Schriften overeenstemmen. Den man die den Amptsdrageren deze bevoegdheid niet toekende, zou het besef zijner persoonlijke waardigheid moeten dringen, zich voor dat onwettig gezag te vrijwaren, d. i. de Kerk te verlaten.

(**) Wij willen Tucht, omdat de Gemeente als mondig en niet langer als kind mag behandeld worden (Ef. 4 : 14), daar zij door het geloof een hooger standpunt inneemt dan de maatschappij. De Tucht die in onze Kerk volgens onze reglementen geldt, verlaagt de Gemeente tot een aardsche maatschappij, daar zij slechts

Sluiten