Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23

met zichzelf is te rade gegaan omtrent de zaliging van den zondaar.

Het is de onderhandeling van eeuwigheid tusschen de drie personen, Vader, Zoon en H. Geest over het werk der herschepping.

Veel meer dan in het besluit der verkiezing treden hier de drie personen ieder in zijn onderscheiden karakter op.

Het is die onderhandeling waarbij de Vader den Zoon heeft begeerd en verordineerd tot Middelaar, waarbij de Zoon zich vrijwillig daartoe gaf; de Vader eischte van den Zoon de volbrenging van alle gerechtigheid ; en beloofde daarom den Middelaar heerlijkheid. Terwijl de H. Geest op zich nam vrijwillig en naar den wil van Vader en Zoon, om het werk der zaligheid toe te passen.

Deze leer is daarop gegrond, dat in de H. Schrift de Zoon als Middelaar aan den Vader als ondergeschikt wordt voorgesteld, zie Joh. 20 : 17 ; Jesaja 49 enz. en dat Hij voor de volbrachte gehoorzaamheid beloond wordt, zie Ps. 2:8; Jes. 53 : 10 ; Phill. 2 : 9 v. v. enz.

Deze Raad des Vredes is te noemen het verbond der genade van eeuwigheid, of: de grondslag van het genadeverbond dat God in den tijd heeft opgericht met Adam, Noach en Abraham.

Hoofdstuk V.

DE SCHEPPING.

Thans zijn we genaderd aan de bespreking van Gods werken naar buiten. Deze nemen een aanvang met de Schepping.

Onder scheppen verstaat men : door een almachtige wilsdaad iets in het aanzijn roepen, dat tot dusver zelfs niet in grondstof bestond.

God begon dan de uitvoering zijner besluiten door de schepping van hemel en aarde. Het was een daad van GodDrieëenig ; zie Gen. 1 : 1 en Ps. 33 : 6. Dat de Zoon en de H. Geest er mede deel aannamen, in eenheid des Wezens, leeren ons teksten als Joh. 1:3; Col. 1 : 16 ; Hebr. 1 :10 en Gen. 1 : 2 enz.

Sluiten