Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in zijn organische eenheid wordt gehandhaafd. Waar de uitverkiezing meer bepaald let op de individuen (de mensch in zijn persoonlijk bestaan), daar spreekt het verbond der genade de schoone gedachte uit, dat die verkiezing zich toch verwezenlijkt in een organischen weg, d. w. z. het verbond neemt op niet individu (persoon) voor individu, maar «Abraham en zijn zaad"'. Natuurlijk wil dit niet zeggen, dat genade erfgoed is; ook niet, dat geloovigen altijd geloovigen voortbrengen, maar toch wel, dat God naar Zijn wil en bestel den regel heeft aangelegd, om de genade toe te passen in de geslachts- en familielijn der vromen. Op dezen regel zijn van zelf ook weer uitzonderingen. Maar over 't geheel beschouwd is hier een organisch verband op te merken. En dit wordt (zooals straks zal blijken) de grond voor den Kinderdoop.

Op deze wijze nu wordt er een nieuwe mensch/ieid gesticht, en is Christus de volle vervanger van Adam.

Van ons wordt nu in dit genadeverbond geëischt geloof en bekeering. Maar niet, alsof wij daardoor de toerekening van Christus zouden verdienen. Geloof en bekeering zijn wel een eisch Gods tot den mensch, maar tevens is het volbrengen van dien eisch reeds een goed van het verbond, dus vallen deze twee reeds binnen den cirkel van het genadeverbond. Het is dus eisch Gods; maar het volbrengen is een gave, die God ons schenkt.

Hoofdstuk XIII.

DE PERSOON DES MIDDELAARS.

Christus is de Middelaar der verzoening in het genadeverbond. Hij heeft vóór Zyn komst in het vleesch door Zijn Geest van zich laten getuigen in Israël, met Zijn instellingen en ambten.

Zoo is Christus in het O. T. beloofd in de profetie, afgeschaduwd in de offeranden, en vond Hij zijn voorbeeld in David, Salomo en anderen.

In de volheid des tijds is Hij op aarde verschenen in de vleeschwording.

Sluiten