Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook dit is van groot belang, daar de rechtvaardigheid Gods vorderde, dat door dezelfde natuur, welke had gezondigd, ook voor de zonde zou worden betaald. Dat is door de ware menschelijke.

Ten derde moet nog opgemerkt worden, dat Christus een volkomen mensch was. Er werd n.1. (ook in de eerste eeuw der Chr. kerk) wel geleerd (door Apollinaris) dat bij Christus de menschelijke ziel niet zou aanwezig zyn geweest, en dat zijn Godheid in de plaats van de ziel was.

Maar ook dit is fout. De Schrift zegt duidelijk, dat Hij een volkomen mensch was, met een ziel, zie Mattheüs 26 : 38 ; geest Matth. 27 : 50.

Eveneeus als de Christus nu een rechtvaardig eD waar (wezenlijk) mensch moest zij o, evenzeer moest Hij als Middelaar ook waarachtig God zijn. Opdat Hij 1° »uit kracht Zijner Godheid den last des toorns Gods aan Zijne menschheid dragen zou", dat wil zeggen : Hij had anders als Hij louter, alleen mensch ware geweest dat groote werk niet kunnen volbrengen, en ware er onder bezweken ; 2° Om een oneindige waardij aan Zijne verdiensten toe te brengen, en 3° opdat Hij »ons de gerechtigheid en het leven verwerven en wedergeven mocht."

Bespreken we nu: de verhouding dezer beide naturen. De beide naturen in Christus zijn ongedeeld en ongescheiden; hoewel onveranderd en onvermengd.

Voor twee gevaren dient dus te worden gewaakt.

Vooreerst, dat men in den éénen persoon van den vleeschgewordenen Christus niet de beide naturen van elkaar scheidt. Gelijk ook onze belijdenis zegt, dat »deze twee naturen alzoo te samen vereenigd zijn in één persoon, dat zij zelfs door zijnen dood niet gescheiden zijn geweest.''

Ten andere mag men het niet voorstellen, als zou de eene natuur eigenschappen hebben overgenomen of ontvangen van de andere natuur. Zoowel vóór als na Zijne verhooging behield iedere natuur hare eigene eigenschappen.

De Lutherschen leeren, dat met en na de verhooging aan de menschelijke natuur goddelijke eigenschappen zijn medegedeeld, zoodat, Christus naar Zijn menschelijke natuur bv. alom tegenwoordig is geworden. Dit brengen zij te pas bij de leer van het Avondmaal, door te meenen, dat Christus lichamelijk, onzichtbaar bij de bediening tegenwoordig is. Dit vereischt dan de onderstelling, daar het op vele plaatsen tegelijk bediening kan zijn, dat Christus lichamelijk dan ook alomtegenwoordig zou zijn. Maar dit is toch onjuist.

Sluiten