Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wedergeboorte is ons hart weder in de rechte verhouding tot God geplaatst, en daaruit vloeit dan ook voort, dat den wedergeborene in de verlichting des H. Geestes het rechte licht opgaat over allerlei leven en terrein, inzonderheid over de verhouding tusschen God en mensch. Deze nieuwe kennis is een kennis des geloofs. Geloof is dus niet tegennatuurlijk. Integendeel. Het is echt natuurlijk voor den wedergeborene om te wandelen in geloof. Want geloof is het kennen en vertrouwen van God in Christus.

Gelooven is een goed, dat de mensch in het Paradijs vóór den val ook reeds had; evenwel niet een geloof in den Christus. Dit was toen nog niet noodig. Maar toch bestond er tusschen God en mensch een betrekking, welke niet anders dan door geloof kan worden weêrgegeven.

Geloof n.1. in dien uitgebreiden zin van het woord, dat het is een kennen van en vertrouwen op wat de mond Gods ons heeft betuigd. Gelooven is aannemen op grond van een voor ons betrouwbaar getuigenis. Zulk een getuigenis van Gods zijde was er ook in het Paradijs.

Dat onder het begrip geloof nu speciaal wordt gedacht aan een zich op Christus verlaten is gekomen, nu er zonde in de wereld kwam, die de gemeenschap met God verbrak, maar in Christus hersteld werd.

Het geloof heeft thans dus een uitgebreider inhoud of voorwerp ontvangen. Vóór den val richtte het zich op de belofte van het eeuwige leven, in de onderhouding van het gebod Gods. Na den val richt het zich bepaald op deze belofte Gods, dat de Christus alle gehoorzaamheid heeft volbracht.

Maar om dat te kunnen en te willen moest eerst de wedergeboorte voorafgaan. Anders is het getuigenis Gods ons niet aangenaam, noch betrouwbaar. Zoolang we onwedergeboren zijn verdenken wij God, stellen we ons boven Hem enz., maar wedergeboren zijnde, dan is de verhouding tot God weêr de juiste geworden, en dan vloeit daar vanzelf uit voort, dat we dan nu ook aan de beloften in Christus recht laten wedervaren, door die aan te nemen.

Naar luid van onzen Catechismus bestaat de werkzaamheid van dat ééne geloof in twee stukken n.1. kennen en vertrouwen. Zie Zondag 7.

Het ware, zaligmakende geloof is dus niet een nieuw vermogen bij de vermogens van verstand en wil toegevoegd, maar het is

Sluiten