Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„houd u tot uzelven en naak tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij." Maar hier spreekt de Heere God, en Hij weet een woord te rechter tijd te spreken van Zijne eeuwige ontferming.

De profeet zegt echter niet: „spreekt God," maar „spreekt ulieder God;" en hij wendt zich daarmee tot zijne volksgenooten, van welken de Heere zegt: „Mijn volk."

Wie is dat volk des Heeren? Ze zijn Zijne uitverkorenen, die Hij voor de grondlegging der wereld Zich voorgenomen heeft van hunne zonde en dood te verlossen, te heiligen en zalig te maken. Zij waren in Israël, zij zijn onder de Heidenen, zij zijn ook onder ons. Zij zijn grootendeels arm en gering, zij beteekenen niet veel voor de wereld, en als zij iets beteekenen, zoo worden zij door de wereld gehaat om 's Heeren Naam, die op hen rust. Niet om hunne werken, noch om hun geloof zijn zij uitverkoren, want zij zijn zondaren evenals wij allen; maar omdat de Heere het wil. Hij heeft hun Zijnen Naam geopenbaard; Hij heeft .hun gezegd: Ik ben de Heere, uwe God. Maar dat Woord was als een bliksem en donderslag door hunne ziel gegaan, en zij zijn tot de ontdekking gekomen, dat zij den Heere niet gediend hebben maar den afgoden. Daarom was hun dat

O O

Woord alsof de Heere tot hen gezegd had: gij zijtniet Mijn volk. Gij hebt u schuldig gemaakt aan rebellie en afval van Mij. Daarom moet Ik u straffen.

Zoo zag de profeet het volk Israël en Jeruzalem onder Gods zwaar oordeel. Hij had het zelf reeds aan den vromen koning Hiskia moeten verkondigen, die volgens Jes. 39 de gezanten van Babel bij zich ontvangen en hun al zijne schatten getoond had. Dat scheen wel geen zonde te zijn, maar toch was het zonde; want hij zeide

Sluiten