Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

perste Wijsheid roept overluid daar buiten; zij verheft hare stem op de straten. Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt zij hare redenen in de stad. Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeeren, en de zotten wetenschap haten? Keert u tot Mijne bestraffing; ziet, Ik zal Mijnen Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijne woorden u bekend maken. Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijne hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte; en gij al Mijnen raad verworpen, en Mijne bestraffing niet gewild hebt: zoo zal Ik ook in ulieder verderf lachen, Ik zal spotten, wanneer uwe vreeze komt; wanneer uwe vreeze komt gelijk eene verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind ; wanneer u benauwdheid en angst overkomt." En dit zal des Heeren spot zijn: „Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zij zullen Mij niet vinden." Want dan heet het: het is te laat, te laat!

O, dat wij toch allen naar de stem des Heeren luisteren, als ons Gods Woord verkondigd en uitgelegd wordt.

De roeper is nu gewillig, om te roepen. Hij vraagt: „wat zal ik roepen?" Immers hij weet dat de weg des Heeren moet bereid worden.

Het zouden geen aangename woorden voor het vleesch zijn; veeleer harde, terneêrslaande allen hoogmoed. En de roeper heeft dus te verwachten dat hij gehaat, met smaadheid overdekt, ja, als een ketter veroordeeld wordt. Want de wereld, hoe ongeloovig zij ook is, trekt toch gaarne een orthodox, ja gereformeerd kleed aan en zit op den rechterstoel om degenen te veroordeelen, die haar onvervaard Gods Woord verkondigen. Anderzijds

Sluiten