Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal ze uit Mijne hand rukken. Joh. 10 : vs. 27 en 28.

Dit is dus even volgens de eigenlijke beteekenis van het woord „kudde".

Wie behooren nu tot Zijne kudde? Hij, de Koning en God Israëls kent hen ; het zijn degene die afgedwaald waren door ongerechtigheid en eigen gerechtigheid en wijsheid, die echter door Gods oordeel geslagen werden, en aan wie de Heere de ooren geopend heeft, dat zij Zijne stem hooren : „Zijn uwe afgoden uwe herders ? vindt gij bij hen gerechtigheid, troost en vrede ?" En zij moesten beschaamd antwoorden: „neen, wij vinden daar onzen dood ; Heere bekeer ons tot U, want bij U vinden wij genade, en een ontfermend hart, bij U gerechtigheid, troost en vrede, met één woord : het leven in plaats van onzen dood."

Deze schapen redt de Heere dus uit den dood, Hij verlost ze van het verderf, Hij leidt ze op den weg der gerechtigheid.

Hij heeft een goed oog op hen. Bij de Israëlieten is „zien op iets," en „herder zijn" bijna hetzelfde woord, Zoo is Zijn oog op Zijne schapen, op een iegelijk van hen; Hij verliest geen enkel schaap uit het oog. Hij merkt het terstond op, wanneer er iets aan hen hapert of scheelt. Dat kan alleen een herder doen, die altijd met de schapen omgaat.

De kudde vindt de Heere echter verstrooid, wanneer Hij komt. Hier is er een en daar is er een. Jesaja zegt Hst. 53 vs. 6 : „Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijnen weg." Zoo zijn vooral de lammerkens verstrooid, en omdat zij nog jong zijn, weten zij den weg niet. Maar de Heere vergadert hen in Zijne armen, Hij steekt Zijne armen uit, Hij vat ze aan en

Sluiten