Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

herkent Hem niet — vanwege hare groote droefheid, en omdat zij de gedachte niet vatten kon, dat Hij opgestaan was, dat Hij 't dus werkelijk was. Het is de hovenier van Jozefs hof, zoo meent zij. Maar zie, deze man richt tot haar dezelfde vraag: Vrouw, vvat weent g ij? en voegt er aan toe: \V i e 11 zoekt g ij'? Zou deze lieer haar op den weg helpen? Misschien! Zij vraagt daarom terstond: Heere, zoo gij llem weggenomen hebt, zeg mij waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen. Wij zouden zeggen: welk eene dwaasheid! wil dan Maria tot eiken prijs haren Heer in het graf houden'? Ja, zoo zijn wij menschen! Ongeloof en onverstand verduisteren verstand en hart, en dat deksel wordt niet weggenomen dan door de kracht van het woord, dat uit 's Heeren mond uitgaat. Doch wij mogen wel opmerken, dat, al zocht Maria eenen gestorven Zaligmaker, zij dat toch deed uit de liefde, door den levenden Christus uitgestort in haar hart, Die het ook maakte, dat zij geene rust vond in iets, dat buiten Hem was. Waar blijft zij dan ook buiten Hem met de vergeving harer zonden'? waar blijft zij zonder Hem met de verlossing uit Satans macht? zal zij dan zonde en Satan wederom ten prooi worden? Allerlei weeën hebben haar dus aangegrepen, en al zijn zij bij deze hartstochtelijke vrouw tot het uiterste gevoerd, toch spreekt de Schrift welgelukzalig allen, die door deze weeën zijn aangegrepen, weeën, gelijk zij ze noemt als van eene barende vrouw, want: Zion heeft hare weeën gekregen: zij heeft hare zonen en dochteren gebaard. (Jes. (3(3.) Ook bij Maria zal uit dat alles eene goede, gezonde en rijpe vrucht des geloofs voortspruiten.

De Heere Jesus laat haar het hart uitstorten, laat haar zich ook weder van Hem afkeeren om te zien naar het graf, doch spreekt op datzelfde oogenblik

Sluiten