Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woner van die pastorie, J. L. de Mol Moncourt, al leest hij dit stuk ook niet, toch overtuigd zija van mijne dankbaarheid voor zijne welwillendheid, waarmede hij mij een paar historische bronnen van zijn archief heeft afgestaan.

Wat nu de „wettigheid" der handelingen van het Classikale Bestuur van Dokkum tegenover Yan Yelzen aangaat, onze vaste overtuiging is, dat de eerste reden, door dit Bestuur aangevoerd voor zijne schorsing geen recht van bestaan heeft, maar de twee laatste redenen beslist en zeker. Yan Yelzen meende in zijne voortvarendheid, dat de kerkeraad en de gemeente van Drogeham die z.g.n. „onwettige schorsing" zou verwerpen. Dit geschiedde niet en terecht. Over het opstoken der Gemeente tot onwettig revolutionair verzet en het laten prediken van onwettig revolutionaire Gezangenverwerpers hebben wij het al gehad. Deze beide redenen maakten de schorsing wettig. Een koninkrijk, dat tegen zichzelven verdeeld is, kan niet bestaan. Maar de beschuldiging, dat de predikant „onbewezene beschuldigingen en aantijgingen", als gevolgen van „liefdelooze verdenkingen en haatelijke laster", gebruikt zou hebben, is onwaar. Dat de heeren van die dagen niet bij uitstek rechtzinnig waren in leer en leven, heeft Dr. G. J. Yos Azn. genoegzaam aangetoond. Een predikant, die zijn breede witte stropdas, ook wel eens genoemd „gipsverband", van zijn hals aftrekt en dan uitbrult: „Ik laat mij liever den hals afsnijden, dan dat ik de Dordtsche leerregels onderteeken", heeft meer van een woesten varkensslagersknecht, dan van een ontwikkeld eu beschaafd predikant.

Maar wij weiden daarover verder niet uit. Yan Velzen schaamde zich in ieder geval noch de afscheiding, noch den naam afgescheiden, toen hij tot een

Sluiten