Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het Modernisme — een wereld uit den natuurlijken mensch en dien mensch uit de natuur op te bouwen — een ander beginsel te plaatsen: het Calvinistisch beginsel van de volle Souvereiniteit Gods, om daarmede de worsteling met het ongeloof op alle terrein des levens aan te binden. En hij vond in Utrecht de gezindheid van den satisfait, of wil men het zachter: van den conservatief, die niet bedacht op nieuwe overwinningen met de behaalde voordeelen voldaan is en nu zich alleen maar warm maakt als het verkregene wordt aangetast.

Tegen dit standpunt — irenisch, conservatief, apologetisch of hoe men het noemen wil — kwam alles wat in hem was in verzet. De strijd moest, zijns inziens, eerst recht beginnen; en men waande dat, zoolang de tegenstander niet poogde het verlorene te herwinnen, het zwaard wel in de schede kon worden gestoken. Rust en vrede — dat liedeke werd gezongen. Hoe zou hij — jong, werkzaam, met een dagelijks grooter wordend program van actie voor zich zelf, zich daarbij kunnen nederleggen? Niet de bevloerde wateren, maar de bruischende stroomen dragen leven, brengen heil — was zijn leuze. En ondanks de hoogachting en de waardeering, die hij, de jeugdige predikant, had voor mannen als Van Oosterzee en Doedes, die vroeger in den strijd tegen het Modernisme de hitte des daags en de koude des nachts hadden te verduren gehad, zou het zonder twijfel tot een conflict met de Utreehtsche orthodoxie zijn gekomen, ernstiger nog dan destijds reeds door de Kerkvisitatie uitbrak, zoo hij langer in de hoofdstad van het Sticht ware gebleven.

Amsterdam riep hem evenwel — de hoofdstad des Rijks, waar hem het leven zooveel frisscher en veerkrachtiger toescheen dan in de Bisschopsstad. Doch al was zijn verblijf in Utrecht tot nog minder dan drie jaren beperkt, in den kerkeraad aldaar bleek het niet zelden, dat zijn ideaal zoo iets geheel anders was dan wat door de oudere ambtgenooten werd voorgestaan.

Helder en duidelijk kwam dit uit in de rede, waarmede hij op 31 Juli 1870 afscheid nam van de Utrechtsche gemeente, naar aanleiding van Openbaring 3 vers 11: «Houdt dat gij hebt».

Sluiten