Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene wijziging in de beschouwing van den godsdienst mede. Rationalisme en piëtisme bereidden deze in de achttiende eeuw reeds voor. Kant ondermijnde de oude voorstelling door zijne scherpzinnige critiek van het menschelijk kenvermogen en door de daarop gebouwde leer van de onkenbaarheid Gods. En Schleiermachers pantheïstisch getinte vroomheid vond voor de nieuwe beschouwing de nieuwe formule, toen hij zeide: religie is geen weten en geen doen, geen dogmatiek en geen moraal, geen zaak van verstand en van wil, maar zij is eene diepe, verborgene, innerlijke stemming des gemoeds, gewekt door het Alééne en bestaande in een gevoel van volstrekte afhankelijkheid. De definitie van Schleiermacher is menigmaal beoordeeld en veelszins gewijzigd; maar zijne opvatting van de religie is desniettemin het uitgangspunt en de grondgedachte gebleven van heel de nieuwere theologie. Godsdienst is, naaide thans algemeen heerschende voorstelling, geen plicht maar eene deugd; geen dienst van den Heer des hemels en der aarde maar eene regeling en vaststelling van de betrekkingen van den mensch tot het geheel, waarvan hij zichzelven als deel beschouwt; niet door den Schepper en Souverein aller dingen verordend maar door het redelijk schepsel uitgevonden, om zichzelf te handhaven in den strijd voor zijn physisch of ethisch bestaan; en daarom onafhankelijk van verstandelijke voorstellingen en uitwendige handelingen, in zijn wezen niets dan eene vage, kleurlooze, onbepaalde stemming des gemoeds, een gevoel van eerbied, ontzag, toewijding, aanbidding, jegens een ongekend en onkenbaar wezen, welks bestaan de mensch vermoedt of op grond van zijne zedelijke natuur postuleert; in één woord, geen recht Gods, maar eene behoefte van den mensch.

Deze gemoedsstemming maakt dan verder het hart en de

Sluiten