Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er is toch, zoo stelde voor enkele jaren de hoogleeraar Bernoulli te Bazel het voor, er is toch een groot onderscheid tusschen de wetenschappelijke en de kerkelijke methode in de theologie. G-ene, toegepast in de exegetische en kerkhistorische vakken, gaat geheel onbevooroordeeld en onpartijdig te werk. Zij onderzoekt alles, niet alleen de kerk en hare belijdenis, maar ook de Schrift en den Christus, en geeft prijs, wat de critiek van haar eischt. Maar de kerkelijke methode, toegepast in de dogmatische en practische vakken, rekent met de belijdenis der kerk en met de behoeften van den eeredienst. Haar is het niet om „Untersuchung", maar om „Nutzanwendung" te doen. Zij gaat uit van eenige dogmatische grondwaarheden, neemt een „kirchlich gesicherten Standpunkt" in, huldigt eene „kirchlich organisirte Schriftauslegung", bedoelt Christus aan de gemeente te geven, en trekt dus niet het facit uit een zuiver wetenschappelijk onderzoek, maar heeft voornamelijk bevrediging van practische behoeften op het oog.

Bernoulli verlangt dus naast de streng wetenschappelijke eene officieel kerkelijke theologie, die de resultaten van gene met het oog op hun practisch nut voor de gemeente toetst, het bruikbare overneemt en aan het religieuze leven dienstbaar maakt, en zoo voor eiken dienaar vaststelt, wat de kerk denkt en van hem begeert. Deze scheiding, schoon eenigszins anders uitgewerkt, komt overeen met die, welke reeds in het jaar 1876 bij de wet op het hooger onderwijs hier te lande werd ingevoerd, en heeft in den laatsten tijd een krachtig voorstander gevonden in Dr. Troeltsch van Heidelberg. Het begrip der wetenschap heeft naar zijn oordeel eene algeheele verandering ondergaan. Zij is de theologische en metaphysische phase uit-, en de empirische, positivistische phase

Sluiten