Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beide malen heeft deze scheiding geen vrede maar strijd gebracht en geloof en wetenschap steeds verder van elkander vervreemd. En het is gemakkelijk in te zien, dat het dualisme in den nieuweren tijd geen andere vruchten zal dragen.

Immers is het duidelijk, dat de exegetische en historische vakken der theologie, losgemaakt van elke metaphysische onderstelling, en vermeerderd met de studie der godsdiensten, als zoodanig en zonder meer geen aanspraak kunnen maken op eene zelfstandige faculteit. Hiertoe is toch een eigen, bijzonder object van noode. En dit ontbreekt, als alleen de godsdienst als historisch en psychologisch verschijnsel voorwerp van onderzoek is, wijl zoodanig onderzoek, evenals van taal en geschiedenis, behoort te geschieden in de faculteit van letteren en wijsbegeerte.

Voorts is het onmogelijk, om eenig wetenschappelijk onderzoek, laat staan dat van den godsdienst en allerminst dat van de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds en van de historie der Christelijke kerk van alle geloofsonderstelling los te maken en naar zuiver inductieve methode in te stellen. De voorstanders van het dualisme blijven hierin zich zelf niet getrouw. Bernoulli acht de wetenschappelijke theologie gebonden door het geloof aan het bestaan van God. Troeltsch, hoezeer bij de studie der godsdiensten op toepassing van de historisch-inductieve methode aandringende, meent toch, dat de onderzoeker daarbij „überhaupt Sinn und Yerstandniss für das religiöse Leben" meebrengen moet; dat hij steeds begeleid moet worden van het geloof, dat de geschiedenis geen spel is van eindelooze varianten, dat aan alle godsdiensten eene werkelijke gemeenschap met God ten grondslag ligt, die in steeds hooger vormen zich openbaart en in het Christendom haar zuiverste uitdrukking vindt.

Sluiten