Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerst als er in de eerste levensbehoeften voorzien en aan de eerste levensvoorwaarden voldaan is, ontstaat bij een volk in een of anderen tijd beoefening der wetenschap. Zoo is het ook met de theologie gegaan. Zij is nog niet onder Israël opgekomen en zag ook het levenslicht nog niet in de apostolische eeuw. Want zoolang de openbaring zelve nog niet was afgeloopen, bestond er voor het denkend verwerken van haar inhoud de gelegenheid niet. Maar toen de openbaring voltooid en in de Schrift was neergelegd, toen de gemeente met dien schat van goddelijke waarheden de wereld inging en het bewustzijn herschiep, toen ontwaakte bij de mannen, door God met uitnemende gaven van kennis en wijsheid toegerust, de zucht en de drang, om dien schat der waarheid zich denkend eigen te maken en zich van zijn inhoud en waarde bewuste rekenschap te geven. Vrucht des geioofs is de godgeleerdheid dus zeer zeker, maar speciaal toch van het geloovige denken, van het door het geloof geheiligd verstand, van de ratio christiana.

Daarom komt aan de godgeleerdheid ook een eigen taak naast die van den godsdienst toe. Wetenschap is het altijd om kennis der oorzaken te doen. Zij rust niet in het dat, maar zoekt naar het waarom. Daargelaten of zij dit doel bereikt — alle wetenschap is een kennen ten deele; maar dit is toch het ideaal, dat zij zich voor oogen stelt en dat zij najaagt met ingespannen kracht. Zij stelt zich niet tevreden met eene dorre opsomming van verschijnselen en feiten; maar zij speurt in het bijzondere het algemeene, in de verschijning het wezen, in het toevallige den regel, in het reëele de idee, in het zijnde den logos na. Als deze gevonden is, vloeit haar beoefenaar zijns ondanks het dankbaar en triumfeerend „heurèka" van de lippen. Want in den chaos ordende

Sluiten