Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijne Heeren Professoren. In Uw midden plaats nemende, weet ik, dat ik opgenomen word in een kring van mannen, die ik om hunne gaven hoog acht, maar ook van geestverwanten, die ik als broeders liefheb. Eene van de rijkste zegeningen van eene stichting als deze bestaat daarin, dat zij aan een kring van mannen de gelegenheid biedt, om van uit dezelfde beginselen en in dezelfde richting de wetenschap te beoefenen en de waarheid te dienen. Ik stel mij voor, dat, gelijk reeds Uwe werken tot dusverre, zoo in het vervolg nog meer de broederlijke omgang en het wetenschappelijk verkeer met U allen mij in velerlei opzicht tot voorlichting en leiding zal strekken.

Daarop reken ik vooral bij U, hoogleeraren in de Theologie, in wier kring ik ook met blijdschap U, mijn waarde vriend Biesterveld, zie opgenomen, die jaren lang in Kampen mijn ambtgenoot en in den laatsten tijd ook mijn deelnemende lotgenoot waart. Wij hebben met elkander eene schoone taak te vervullen, om n.1. in gemeenschap der gaven en der krachten te arbeiden aan den opbouw eener Gereformeerde theologie, die voor wetenschap en kerk in deze tijden gelijkelijk ten zegen kan zijn. Wij genieten daarbij het onschatbare voorrecht, dat wij met onze godsdienstige, zedelijke en wetenschappelijke overtuigingen niet tegenover de gemeente des Heeren staan. Wij zijn met haar één in belijdenis. Ook wij kennen voor ons persoonlijk, voor ons huiselijk, voor ons maatschappelijk, voor ons kerkelijk en staatkundig, en zoo ook voor ons wetenschappelijk leven geen anderen naam onder den hemel, door welken wij moeten zalig worden, dan den naam van Jezus den Heere alleen. In al onzen theologischen arbeid zijn en blijven wij dus dienaren der gemeente om Zijnentwil. Maar haar dienende overeenkomstig Zijn

5

Sluiten