Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men op de Generale Synode te Groningen (1899). Naar mijn oordeel moest het besluit ter handhaving en bevestiging der Theol. School onaangeroerd blijven, omdat toen op de Synode gebleken was, dat Amsterdam niet kon en niet wilde treden in het Voorstel-bavinck, daar ter tafel gebracht, in welk voorstel de eigen inrichting der Kerken was gehandhaafd met alle zeggenschap aan de Kerken, en met eenig verband van die Theol. School — tevens genietende de eer en de voordeelen eener Theol. Faculteit — met de andere Faculteiten.

Men moest het er nu maar bij laten, was mijne gedachte, en aan den welstand en bloei der Theol. School, als eigene inrichting der Kerken erkend en aanvaard, rustig voortwerken. Wilden sommige Kerken op dit besluit der Synode van Groningen terugkomen. dan langs kerkelijken weg, en niet eerst door onderlinge samenspreking van Professoren en Curatoren.

Dit schreef ik toen uitdrukkelijk in een rondgaand schrijven aan de Curatoren der Theol. School. De meerderheid was echter vóór zulk een samenspreking, zoowel van de Curatoren als van de Professoren.

Waarom? Omdat — zooals Prof. Dr. Bavinck uitdrukkelijk later tegen mij zei — omdat van die samenspreking toch niets terecht kwam, maar het beter was, ook nu maar weer welwillendheid jegens Amsterdam te openbaren. Anders zouden de broeders van die kant met het verwijt kunnen komen, dat de broeders van Kampen onwillige en onhandelbare menschen waren.

Vóór die samenspreking te Utrecht plaats had, confereerden wijlen Prof. Wielenga en ik met de Prof. Rutgers en H. H. Kuypeb over een program van werkzaamheden; nadat de Curatoren en Professoren te Kampen als uitgangspunt hadden vastgesteld: het volle zeggenschap der Kerken. Wij maakten een program van vragen, die ingingen op de beginselen, met het doel, die te Utrecht te bespreken. Daar samengekomen op 10 Sept. 1901, meende de meerderheid, dat we met eene principiëele bespreking

Sluiten