Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over van rechte dankerkentenis en bouwt hij den Heere een altaar!

En die zegeningen en bewijzen van Gods trouw worden voor hem nog zooveel te grooter, als hij het aanschouwt, dat de Heere dat alles heeft geschonken aan zulk een als hij is! Want waar hij daar bij zijnen altaar staat, daar wordt hij er levendig aan herinnerd, hoe liefdeloos en zelfzuchtig hij tegen den broeder handelde, die, van de jacht komende, hem spijze vroeg; daar leeft bij vernieuwing in zijne herinnering die donkere ure zijns levens, toen hij vermomd en als zijnde een ander neerknielde aan de sponde van den grijzen, blinden vader en in naam van Jehova den eerstgeboortezegen over zich hoorde uitspreken; daar wordt hij bepaald bij zijn ongeloof in het wegtrekken van Laban. De God van Bethel heeft tot hem gesproken: Maak u op, vertrek uit dit land en keer weder in het land uwer maagschap en in stede van rond en ruiterlijk met die boodschap tot Laban te gaan, wacht Jakob den tijd af, die hem het geschiktste lijkt en gaat dan, als Laban ver van huis is!

Al die zonden en zoo vele meer doemen in zijne herinnering op en waar hij te Sichem een altaar bouwt, daar vervullen die overtredingen hem met smart en schaamte, maar is de herinnering daaraan oorzaak, dat 's Heeren weldaden te meer worden gewaardeerd en hij door den altaar het uitroept: Looft den Heere, mijne ziele, en vergeet geene van zijne weldaden!

En nu vragen we even, geliefde hoorders, gaat het zoo niet ieder kind des Heeren, die in ootmoed voor den Heere buigt bij het zien van Gods goedertierenheden ? Worden dan de zegeningen des Heeren niet aanschouwd éen voor éen en wordt dan het getal niet meer dan dat men ze zou kunnen opnoemen? En worden die weldaden niet te meer gewaardeerd, als ze bewijzen zijn van 's Heeren onwankelbare trouw die daarin voorheen geschonken beloften vervult? En worden ze niet nog grooter als ze worden aanschouwd in het gezicht van eigen onwaardigheid en geringheid? O, als er ware dankerkentenis in het hart leeft, wordt het kind des Heeren zoo klein, zoo schuldig, zoo gansch onwaardig en hoe meer de goedheid en ontferming des Heeren wordt gekend, hoe kleiner en onwaardiger het dankbare schepsel zich voelt.

Sluiten