Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De nieuwe opvoeding", vindt ge de stelling, dat het onomstootelijk vaststaat, dat de waarde van den mensch door het kunnen, niet door het kennen bepaald wordt. Van den Catechismus wordt daar gezegd: „Het kind leert: Gij zult niet — Punt. Waarom niet? Omdat God het verbiedt. Terwijl het luiden moest: Ik wil niet. Waarom? Omdat het onrecht is, omdat het mij of de gemeenschap schade aanbrengt."

Daar hebt ge, M. H., de consequentie! Het is reeds niet meer: Gij zult als God wezen; maar: God zal er niet zijn, gij alleen zult er zijn!

Maar wat dan ? Zullen we alles wat bloot van buiten geleerd is kennis noemen? Natuurlijk zullen wij dat niet doen. Kennis is iets dat van binnen is, en wat van buiten geleerd is zit slechts van buiten, dat is duidelijk. Maar, iets in een bepaalden vorm aan het geheugen toevertrouwd, kan wèl kennis zijn.

En daar komt nog iets bij. Kennis en kennis is twee. Er zijn dingen die ik wel ken, maar die ik toch telkens dieper en dieper moet leeren kennen. Wanneer ik in mijne jeugd geleerd heb dat tweemaal twee vier en tienmaal tien honderd is, dan blijft er voor mijn kennen in later leeftijd nog een onmetelijk veld van arbeid over in deze eenvoudige waarheid. Wanneer de Catechismus vraagt: „Waaruit kent gij uwe ellende?" en daarop het antwoord geeft: „Uit de Wet Gods" en ik dat in mijne jeugd in 't geheugen geprent heb, dan heb ik in die weinige woorden eene gedachte in mij opgenomen zóó diep, dat ik ze nog niet doorgrond en nog dagelijks in de kennis van dit woord wensch toe te nemen.

Sluiten