Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarde zouden zijn, of dat „de voortbrengende kracht des geestes slechts de voltooiing zou zijn van de kracht des lichaams, der zinnen." (blz. 89.) De functiën van den geest zijn geheel andere dan die van het lichaam, niet slechts gradueel, maar in wezen. Dat de ziel des menschen niet zonder het lichaam zou kunnen zijn is eene zeer oude materialistische dwaling; dat de menschelijke ziel zonder het lichaam geen volkomen mensch is, ligt in het wezen van den mensch en leert ons de Schrift. Het lichaam moet den geest dienen, het mag nooit heerschen; het is aan de stofwisseling onderworpen, de geest behoudt wat hij opgenomen heeft. Daarom is het lichaam niet voor die ontwikkeling vatbaar, die het deel van den geest is en moet het lichaam niet meer verzorgd worden dan in zóóverre, dat het een geschikt werktuig is ten dienste des geestes.

De Schrift leert dan ook niet dat de oefening van het lichaam onnut is, maar dat zij, in vergelijking met de oefening ter godzaligheid, weinig nut is; zij dient alleen voor dit leven, terwijl de godzaligheid de belofte heeft van dit en het toekomende leven. (1 Tim. 4: 8). Maar dit is juist het karakter van de nieuwe opvoeding, dat zij principieel het oog alleen op dit tijdelijke leven gericht houdt en dus van eene verhouding als hier gesteld wordt, niet wil weten en er dus in de opvoeding geene rekening mee houden wil.

En wat dan de lichaamsoefening der jeugd betreft, zijn zeker vrije kinderspelen in de open lucht meer aan te bevelen, dan gedwongen gymnastische oefeningen. Ik vrees dat de oefeningen, die men nu weer noodig

Sluiten