Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het was wel altoos „de nood is mij opgelegd" — en „wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig", en: „wie is tot deze dingen bekwaam?' De Heere alleen heeft door alles heengeholpen ! Hoe kan ik daarbij anders dan met David over mijzelven den staf breken, en als ik dan daartegenover gedenk de gunstbewijzen des Heeren, aan my en mijn huis, voor persoon en ambt bewezen, — gedenk, hoe de Heere uit allerlei lichamelijken en geestelijken nood uitkomst gaf, bij alle verwonding toch heelde, — gedenk, dat de Heere my heeft begiftigd met de kennis Zijner waarheid en bij die waarheid mij heeft gehouden, — dan kan ik niet anders dan verbroken en verslagen zijn van hart! Maar juist deze goedertierenheid des Heeren

en het Woord der genade van Jesus Christus, mij gelegd in het hart en op de lippen, geeft nochtans moed en vrymoedighcid, om hoe het er dan ook by my moge uitzien, tot den troon der genade te gaan en te spreken: „Doe wel bij Zion naar Uw welbehagen, bouw de muren van Jerusalem op!" In zulk eene bede moet zich het hart wel ontlasten, want waarlijk, zoo de Heere deed naar de zonde Zijner knechten, dan zou Hij hen niet meer gebruiken in Zijnen dienst, Zijn Woord niet meer leggen in hunnen mond en alzoo ook niet weldoen aan Zijne stad noch bouwen hare muren. Daarom is ook steeds hunne bede: „Ai, ruk het Woord der waarheid niet te zeer van mijnen mond!" Ons leven lang zullen wij hoe langer zoo meer dat leeren, want al mag ik betuigen, dat God mij van

Sluiten