Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

parlementarisme of met de ploutokratie der 19e eeuw? Zij kan gerust nieuwe toestanden, zelfs republikeinsclien regeeringsvorm in den staat aanvaarden, en met de demokratie aanknoopingspunten zoeken.

Wat zij niet kan, en wat ook Leo XIII met nadruk weigert, dat is met de macliten die staat en maatschappij ondermijnen en sloopen een vergelijk treffen. Zelfs de leus „christelijke demokratie" wil de paus niet in zijn vaan schrijven1). Wanneer hij over de arbeiders spreekt is zijn taal allerminst opruiend, begeerten prikkelend, grieven uitmetend. Veeleer is de bul rerum novarum in beginsel antirevolutionair. De paus wil geen alvermogen van den staat en evenmin een uitbreiding van staatsbemoeiing ten koste van het huisgezin. Het staatsgezag moet stellig meer dan tot nog toe ingrijpen in het belang der arbeiders, maar niet om een onmogelijke gelijkheid tot stand te brengen of voor te bereiden: het verschil van standen is blijvend, eigendom en erfrecht worden ten volle erkend, tegen aanranding er van moet de staat waken en de arbeidersbeweging, zoodra zij revolutionair wordt, met kracht breidelen. Zoo is er van socialisme geen sprake. Het bestand der maatschappij heet op het natuurrecht gegrond; dit begrip door zoovele juristen tegenwoordig geheel overboord geworpen, geldt voor den paus nog ten volle. Maar dit natuurrecht wettigt niet, veroordeelt veeleer die ontwikkeling der maatschappij waarbij menschelijke rechten, menschelijke waardigheid, vooral de hoogere belangen der menschen worden vergeten. Het loon worde niet bepaald door een moordende concurrentie, meer in verband gebracht met de behoeften. Het werk zij niet boven de kracht. Aan de arbeiders zij gelegenheid gelaten eigendom, vooral eenig grondbezit te verwerven. De verhouding tusschen werkgever en arbeider zij een persoonlijke, menschelijke. Eindelijk, de geestelijke, kerkelijke belangen der scharen moeten tot hun recht komen. Want de dingen van het aardsche leven

1) Over dien zin dat de benaming christelijke demokratie niet op politiek moet worden aangewend zie men Schaepman's Chronica I p, 130.

Sluiten