Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij Koninklijke Boodschap van 11 Maart 1903 is door de Regeering bij de Tweede Kamer ingediend een wetsontwerp, strekkende „tot wijziging en aanvulling der wet tot regeling van het Hooger Onderwijs." De lange titel, die, wordt het ontwerp wet, voor het laatst officieel zal zijn ten tooneele verschenen, ziet er vrij onschuldig uit. Niettemin werd gretig bij het verschijnen van het ontwerp door dat deel van het Nederlandsche volk, dat het nationaal belang van ons Hooger Onderwijs beseft, de inhoud verslonden, zij het ook met zeer uiteenloopende gevoelens.

Met zeer uiteenloopende gevoelens. Daar was eenerzijds een breede schare, die voor ons Hooger Onderwijs zooals het tot nu toe geregeld was, eerst door het Koninklijk Besluit van 1815, daarna door de wet van 1876, maar ten deele dat gevoelde, wat een welbewuste natie behoort te gevoelen voor een instituut, dat haar geestelijke welvaart voor een niet gering deel, zij 't direct of indirect, beheerscht, althans daarmede in het nauwste verband staat.

De schare der bezwaarden was trouwens bont genoeg getint. Een niet onaanzienlijk contingent werd geleverd door het deel der natie, dat in den boezem der Roomsch-Katholieke Kerk nog steeds het beste vrede vond met de mysteriën des levens; dat in het systeem harer dogmatiek de meest voldoende formuleering zich zag geboden van de levensbeschouwing, die het zich door het denken over de dingen voelde op de ziel

Sluiten